Koud drukte de glanzend zwarte vloer tegen Than's voorhoofd. Zachtjes vervloekte hij zichzelf, dat hij niet op tijd vertrokken was.
Waarom was hij niet, net zoals de andere slaven snel naar de slavenverblijven gerend, toen hij had gehoord dat heer Mamon bezoek zou krijgen.
Een bezoek tussen heer Mamon, en een kampioen van een andere god, was altijd een groot risico voor iedereen die aanwezig was.
Maar nu was Than te laat. Nu zou hij het bezoek moeten uitzitten, en hopen dat het voor hem goed afliep.
Rechts van zich, hoorde hij de deur van de grote zaal met een flink gekraak opengaan. Als Than onder zijn haren doorgluurde kon hij net zien wat er gebeurde.
De lange krijger die ervoor had gestaan stampte met dreunende passen naar binnen.
"Heer Mamon! Gharamon, Magieer van Tzeench" schalde hij door de zaal. Zijn zwarte harnas glansde in het licht van de druipende kaarsen.
Langzaam stapte de krijger opzij om een gedaante in een donkere mantel door te laten.
Koude rillingen liepen Than over de rug. De zwarte gedaante had zijn kap ver over zijn hoofd getrokken, zodat van zijn gezicht niets zichtbaar was.
De gedaante van de magier straalde absoluut gevaar uit.
Links van hem, hoorde Than heer Mamon opstaan van zijn troon, die aan de andere kant van de zaal stond.
"Gharamon!" galmde de lage borrelende stem van de kampioen van Nurgle: "Wat doet een dienaar van Tzeench in het heiligdom van De heer van de plaag?"
Met een glijdende gang zag Than de gedaante in zwarte mantel naar voren komen. Toen hij dichterbij kwam zag hij, dat Gharamon niet liep,
maar over de grond zweefde, zijn voeten af en toe slepend op de grond. Onder hem zag Than de zwarte obsidianen vloer vervormen en verkleuren.
Alsof de vloer vloeibaar was, rimpelde het oppervlak van de vloer, alsof er een schip doorheen vaart.
Zodra de magier voorbij was, trok de vloer weer recht, alsof er niets gebeurd was.
"De altijd veranderende heeft uw steun nodig, Machtige Mamon!" klonk de bijna fluisterende stem van Gharamon.
De magier hield stil, op een gepaste afstand van de verhoging van heer Mamon's troon. Weer vervoekte Than zijn eigen domheid. De gedaante
in zwarte mantel stond op een paar meter afstand van hem. Than drukte zijn ogen weer stijf op elkaar, zodat de magieer geen aandacht aan hem
zou besteden.
Hoewel hij het niet kon zien, voelde Than de aanwezigheid van de magier.
"U heeft de aanwezigheid gevoeld?" Klonk de stem weer. Het klonk meer als een constatering dan een vraag.
Than hoorde heer Mamon een paar passen vooruit zetten. "Hij is geland! Maar dat is niet waarvoor u bent gekomen!"
"Hij bevind zich dichter bij uw eigen tempels dan de mijne." vervolgde Mamon: "Waarvoor mijn hulp?"
Even leek de magier te denken, en antwoorde "Laten we het houden op afleiding. Ik heb tijd nodig om mijn experimenten te volbrengen. In die tijd
kan ik geen inmenging gebruiken."
Wetend dat hij een gesprek hoorde dat niet voor zijn oren bedoeld was, schuifelde than voorzichtig naar achteren. Om de afstand tussen hem,
en de twee Chaos krijgers zo groot mogelijk te maken. En zo niet de indruk te wekken dat hij meeluisterde.
Een tijd lang stonden de twee chaoskrijgers tegenover elkaar, zonder een woord te zeggen. Than had zijn heer dit eerder zien doen. De twee wisselden
gedachten en ideeen uit, zonder dat iemand anders mee kon luisteren.
"De krijgers van Nurgle zullen afleiding bieden, terwijl u uw werk doet." klonk de lage stem weer.
Zonder een verdere groet hoorde Than de magier omdraaien, en het zachte gesleep af en toe, vertelde hem dat de magier de zaal weer verliet.
Toen de grote stenen deur met een klap dichtsloeg, moest Than happen naar adem. Zonder het te merken had hij de hele tijd zijn adem ingehouden.
Wetend dat zijn kansen te overleven nu weer wat toegenomen waren, opende Than zijn ogen, zijn hoofd nog steeds tegen de vloer gedrukt.
Vanuit zijn ooghoek zag hij Heer Mamon staan.
"Laat veertien slaven komen! En laat ze het altaar leegruimen" gromde Mamon, naar de op de grond liggende slaaf
"We kunnen vader Nurgle maar beter tevreden houden, als we voor een andere god ten strijde trekken."
Zo snel hij kon, stond Than op, en rende naar de slavenverblijven. Denkend over wie hij hiervoor moest kiezen.
De gekozen slaven zouden de offerzaal niet meer verlaten.
